Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Real Life > Maureen (28): ‘Mijn vader overleed toen ik 8 was en mijn moeder ging aan de drank. Ik leefde in pleeggezinnen’

Maureen (28): ‘Mijn vader overleed toen ik 8 was en mijn moeder ging aan de drank. Ik leefde in pleeggezinnen’

Maureen (28): ‘Mijn vader overleed toen ik 8 was en mijn moeder ging aan de drank. Ik leefde in pleeggezinnen’

Op haar achtste overleed de vader van Maureen (22) aan kanker. Haar moeder verdronk haar verdriet en Maureen zwierf van pleeggezin naar pleeggezin. Uiteindelijk kreeg ze haar leven op de rit. Dankzij een paard.

“Ik was nog maar vier toen mijn moeder en zeven jaar oudere halfzus huilend naar me toe kwamen. ‘Papa is heel erg ziek,’ zei mijn moeder. Veel begreep ik niet van die onheilspellende boodschap, het woord kanker zei me niets. Ik gaf haar mijn knuffel, omdat ik niet wilde dat ze zo verdrietig was.

Mijn vader belandde al snel hele dagen op de bank, doodziek van de chemotherapie. Als het hem lukte, speelde hij nog weleens met mij. Net zoals voor zijn ziekte, toen ik vaak op zijn knie achter de computer een computerspelletje mocht doen. Ik was een echt vaderskindje. Een van mijn mooiste herinneringen aan hem is de ochtend waarop hij me naar school bracht en ik de bruidsjurk van mijn moeder droeg vanwege een verkleedfeestje.

Mijn ouders spraken nooit over zijn ziekte. Alleen mijn opa probeerde het een paar keer in kindertaal uit te leggen. ‘Je vader heeft een draakje in zijn lijf dat heel vervelend doet,’ zei hij dan. Mijn vader overleed toch nog onverwacht, ik was toen acht. Het was 1 april, en voordat ik naar school ging, had hij nog grapjes gemaakt. Mijn moeder vond hem later die ochtend buiten bewustzijn in bad. Een geknapte tumor had een bloeding veroorzaakt, waardoor hij in coma was geraakt. Aan het einde van de ochtend kwam mijn opa me van school ophalen. We kwamen net te laat in het ziekenhuis; een kwartier ervoor had mijn vader zijn laatste adem uitgeblazen. Ik weet nog dat zijn ogen telkens opengingen en ze die met plakkertjes moesten dichtplakken. Het zorgde voor een rare bedoening toen ik hem een laatste kus gaf. Als ik daaraan terugdenk, besef ik hoe verdrietig het allemaal was, maar op de een of andere manier ging het aan me voorbij.

‘Papa komt nooit meer terug,’ zei mijn moeder, maar eigenlijk begreep ik nog niet wat de dood inhield. Ik heb niet gehuild. Van de crematie weet ik niet veel meer, behalve dat ik een knuffelbeestje kreeg van de begrafenisondernemer. Daarna mochten mijn zus en ik een kettinkje uitzoeken met een hangertje waar wat van mijn vaders as in ging. Dat aandenken heb ik helaas niet meer; het zat in mijn portemonnee die is gestolen.”

Ik thee, zij wijn

“Met mijn moeder had ik voordat mijn vader stierf ook een goede band. Elke zondag gingen we naar het park om de eendjes te voeren. Maar dat veranderde toen ze mijn vader verloor. Op een gegeven moment merkte ik dat ze aan de wijn ging als ze mij van school had gehaald en de thee klaarstond. Ze wankelde door de kamer en werd minder geduldig. Later was ze vaak om negen uur ’s ochtends al dronken. Er ontstonden gevaarlijke situaties. Zo vatten haar wijde mouwen een keer vlam tijdens het koken en moest ik die blussen.
Mijn moeder gaf mijn zus vaak opdracht om drank te halen. Toen alle alcohol een keer op was, dronk ze parfum. We moesten een ambulance bellen om haar na te laten kijken.
Als ze dronken was, hield ik me altijd extra stil. Op zolder had ik een holletje gemaakt, waar ik me veilig voelde. Daar verstopte ik me als ze gevaarlijke dingen deed. Een paar keer is de elektriciteit uitgevallen. De vlam sloeg ook weleens in de pan en ze zette de televisie ontzettend hard. Dan werd ik bang. Ik leerde mijn gevoel af te sluiten en veranderde in een introvert, stil kind met weinig vrienden.

Mijn zus werd onhandelbaar, bleef soms nachtenlang weg en werd uiteindelijk in een leefgroep geplaatst. Ik bleef alleen achter met mijn moeder. Ik wist niet beter dan dat ik voor mezelf moest zorgen. Het enige wat mijn moeder nog deed, was boodschappen doen en koken. Als achtjarige liep ik alleen naar school met mijn zelfgesmeerde boterhammetjes. Thuis keek ik urenlang televisie. Toen het op een gegeven moment begon op te vallen dat ik er verwaarloosd uitzag, werd Jeugdzorg ingeschakeld. Ik denk door een leraar van school.”

Rugzakje mee

“‘Je gaat vandaag niet naar school,’ zei mijn moeder op een ochtend. Ik zag een busje voorrijden en werd opgehaald door een man en vrouw. Het was een vrijwillige uithuisplaatsing; mijn moeder had toestemming gegeven. Ik kreeg te horen dat ik naar een pleeggezin ging. Dat leek me best leuk, want het klonk als een soort vakantie. Ik hoopte dat mijn moeder ‘beter’ zou zijn als ik weer thuiskwam.

Mijn pleegouders waren lieve mensen zonder kinderen, die alles prima voor elkaar hadden. Ineens kreeg ik weer lekker te eten, werd ik van school opgehaald en twee keer per jaar gingen we op vakantie. Ik kwam tot rust en werd wat opener. Maar toen kwam de puberteit. Ik zat minder lekker in mijn vel en loog over de kleinste dingetjes. Daar konden mijn pleegouders niet goed mee omgaan. We werden afstandelijk naar elkaar toe. Ik denk dat ze te makkelijk hadden gedacht over het rugzakje dat ik met me meedroeg. Ik werd overgebracht naar een ander pleeggezin. Dat vond ik moeilijk, want voor mijn gevoel had ik mijn plekje wel gevonden. Ik zat net in de eerste klas van de middelbare school en had daar al leuke vriendinnen gemaakt. Alles wat ik in vier jaar had opgebouwd met mijn pleegouders, was ineens weg.

Pleegouderpaar nummer twee en hun kinderen waren aardig voor me, maar erg christelijk. In het begin had ik het er fijn, maar op school werd ik al snel gepest. In eerste instantie vanwege de wijde broeken die ik moest dragen, omdat mijn pleegmoeder me verbood om mijn eigen skinny jeans aan te trekken. Toen ik ze inlichtte over het pesten dat steeds erger werd, zeiden ze: ‘Probeer nu eerst maar eens vrienden te maken.’ Ze namen me niet serieus. Ik trok me terug in mijn kamer. De muziek van Krezip, mijn hamster en Harry Potter-boeken sleepten me erdoorheen. Na anderhalf jaar heb ik aangegeven dat ik weg wilde. Na veel gesprekken met Jeugdzorg vertelde mijn pleegmoeder op een dag dat ik weg mocht. Ik huilde van blijdschap. Hoewel ik nog twee weken moest wachten, pakte ik nog dezelfde avond mijn spullen.”

Onvoorwaardelijke vriendschap

“Tot mijn vreugde mocht ik naar een gezinshuis. Het was er een stuk drukker met andere pleegkinderen, maar daar was ik helemaal blij mee. Mijn grote redding was dat ze een groot stuk land hadden met paarden, waar ze een soort coachingsessies mee deden. Ik mocht een paard uitzoeken waarmee ik opdrachten kon doen. Het werd een mooi paard, Orin. Zij is nog steeds alles voor mij. Ik leerde voor haar te zorgen, waardoor het ook makkelijker werd om voor mezelf te zorgen. Elke dag was ik met haar in de weer. Ze gaf mij onvoorwaardelijke vriendschap. Ik leerde om haar te begrijpen op een andere manier dan met taal. Daar heb ik heel veel baat bij gehad. Paarden houden je een spiegel voor. Als je boos en ongeduldig bent, doen ze niets voor je. Als je jezelf hulpvaardig opstelt en respectvol iets aan ze vraagt, wel. Ze reageren op je gemoedstoestand. Ik ben impulsief en wil alles vaak te snel. Ik wilde vaak stapjes overslaan, maar dat accepteerde Orin niet en dan lag ik er zo af. Ze reageert beter op geduld. Ik ontpopte me tot het vrolijke meisje dat ik nu ben. Ik maakte de middelbare school af, kreeg leuke vrienden en heb een tijdje een opleiding gevolgd. Ik woonde een paar jaar samen en alles ging goed. Helaas is de relatie sinds een paar maanden uit. Gelukkig mocht ik weer thuiskomen van mijn pleegouders van het gezinshuis. Ik help nu vaak met het verzorgen van de andere pleegkinderen. Ik vind het fijn en leuk om iets voor kinderen te kunnen doen die in hetzelfde schuitje zitten als ik vroeger. Het is hier echt mijn thuis. Als dank help ik bijna elke dag bij het begeleiden van de kinderen en de paarden. Mijn pleegouders betrekken me bij veel dingen en hebben me bijvoorbeeld geleerd hoe ik moet handelen als een kind een woedeaanval heeft.”

Afstand genomen

“Mijn moeder heeft al die jaren een bezoekregeling gehad; één keer per maand mocht ze me zien. Nadat ik was weggehaald, viel bij haar het kwartje dat ze niet langer kon blijven drinken. Ze stopte met de alcohol, maar haar hersenen waren zo erg aangetast dat ze psychotische aanvallen kreeg. Ze moest naar een psychiatrische inrichting. Ik heb nooit meer bij haar kunnen wonen.

Toen ik jong was, vond ik het fijn om haar te bezoeken, maar hoe ouder ik werd, hoe meer ik ging nadenken over wat ze me heeft aangedaan. Ze heeft diverse malen haar excuses aangeboden, maar dat neemt niet weg wat ze met haar alcoholverslaving heeft aangericht. Onze band verslechterde en toen ik in het laatste gezin kwam, ontstond er steeds meer afstand. Ik beschouw haar niet echt meer als mijn moeder. Eerlijk gezegd weet ik niet goed hoe ik haar moet zien. Ik denk dat ik afstand van haar heb genomen om niet nog een keer afgewezen te worden. Met haar alcoholverslaving heeft ze mijn hele leven beïnvloed. Ze heeft nu een fijne vriend die goed voor haar zorgt en afgelopen kerstmis heb ik haar voor het eerst in een jaar weer gezien. Dat was best lastig. Via Facebook Messenger praat ik soms met haar. Niet te veel, want ik blijf bang voor een nieuwe afwijzing. Mijn halfzus en de rest van de familie zie ik nooit meer. Er zijn na mijn vaders dood nog wel wat ontmoetingen en contactpogingen geweest, maar ik heb zelf afstand genomen. Mijn opa, de vader van mijn vader, is vorig jaar overleden. Ik ben naar zijn begrafenis geweest, maar dat was het laatste contact met de familie. Ik zie het zo: je hebt de familie waar iedereen gelukkig is en je hebt Maureen, die uit een gebroken gezin komt en in een pleeggezin woont. Soms probeer ik me voor te stellen hoe het geweest zou zijn als mijn vader nog had geleefd. Of als mijn moeder niet aan de drank was gegaan. Wat zou er dan van mij zijn geworden? Het is lastig om daar antwoord op te geven. De paarden en de kinderen waren dan misschien nooit in mijn leven geweest. Ik ben mijn pleegouders en Jeugdzorg heel dankbaar, want ik weet niet wat er anders van mij terecht was gekomen. Graag zou ik me verder ontwikkelen in het werken met paarden en weer een studie volgen. Ondanks alles sta ik positief in het leven. Ik probeer uit elke situatie iets goeds te halen. Als ik iets wil, ga ik er ook voor. Ik fotografeer bijvoorbeeld graag en verdien met shoots wat bij. En ik heb een fulltimebaan bij een online supermarkt.

Het liefst denk ik zo min mogelijk aan mijn oude leven, toen mijn vader nog leefde en we een gelukkig gezin vormden, omdat het pijn doet. Maar dat gaat niet altijd. Soms ben ik zo verdrietig dat ik in bed ga liggen huilen en daarna is het weer even ‘over’. Ik ben goed in het wegstoppen van mijn gevoelens. Gelukkig geeft Orin me nog steeds troost. Ik moet er niet aan denken dat zij er ooit niet meer is. Orin blijft voor altijd mijn once in a lifetime horse. Wie kon ooit bedenken dat een paard mijn leven zou veranderen…”