Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Real Life > Alma vluchtte als tienjarig meisje uit Srebrenica: ‘Ik wist dat het de laatste keer was dat ik mijn vader zag’

Alma vluchtte als tienjarig meisje uit Srebrenica: ‘Ik wist dat het de laatste keer was dat ik mijn vader zag’

Alma vluchtte als tienjarig meisje uit Srebrenica: ‘Ik wist dat het de  laatste keer was dat ik mijn vader zag’

Toen de oorlog in Bosnië en Herzegovina begon, was Alma Mustafić (40) tien jaar, een beginnende puber die met vriendinnen discussieerde welke boyband de knapste zangers had. Tot alles ineens anders werd en ze moest wegrennen voor granaten en tanks. Nu staat ze in de Nederlandse theaters om haar levensverhaal te vertellen. “De drang om dit te doen is groter dan de pijn die ik voel.”

“Mijn jeugd in Srebrenica was heel fijn en onbezorgd. We groeiden op in een groene, bergachtige omgeving, gingen in de zomer vaak zwemmen in het meer en vingen kreeften in de rivier. En ineens, vanuit het niets, zo leek het voor mij, kwam er een oorlog. We waren buiten aan het spelen – mijn broer, neef, nicht en ik – en hoorden een geluid, alsof er takjes braken. Dat geluid werd steeds heftiger en toen zagen we kogels over de grond rollen. We werden gewoon beschoten. Mijn moeder rende naar buiten, we moesten ons snel in de kelder verstoppen. Maar voor mij begon de oorlog pas écht toen ik mijn favoriete serie, de Ninja turtles, niet meer kon kijken omdat de Serviërs de stroom hadden afgesloten.

Soms gingen we gewoon naar buiten. We werden niet continu beschoten en als kind vind je het ook saai om alleen maar binnen te zitten. Het engste was het als het rustig was, want je wist niet wanneer het schieten weer ging beginnen. Soms gebeurde er een paar dagen niets, dan probeer je toch je normale leven weer op te pakken. Maar juist dan gooiden de Serviërs granaten in de mensenmassa. Later werden we ook beschoten met zwaar mortiervuur. Dat is zo heftig, dat slaat gewoon een gat in de grond waar bij wijze van spreken een huis in past.”

Open concentratiekamp

“Op een dag hoorden we een enorm kabaal. De weg voor ons huis liep in een bocht, we konden dus niet zien wat eraan kwam. We dachten dat het een Servische tank was en dat ze Srebrenica zouden invallen. Ik ging snel naar het balkon om te kijken, en toen zag ik dat het witte trucks waren met UN erop. Ik was zo gelukkig op dat moment! Mijn ouders geloofden het niet. Ik zie hun blije gezichten nog voor me, toen ze zagen dat ik gelijk had. Veertigers die als kinderen stonden te zwaaien naar de trucks. We dachten echt: yes, we zijn veilig.

Mijn vader kreeg een baan als elektricien bij Dutchbat, op de compound van de Nederlandse soldaten. Dat was erg fijn, want daardoor hadden we wat geld om eten te kopen op de zwarte markt. Er was zo weinig van alles en wat er was, was erg duur. Voor een kilo zout betaalde je zo honderd Duitse mark. Ik heb ook wel fijne herinneringen aan die tijd. De Nederlandse soldaten kwamen regelmatig bij ons thuis langs en namen soms iets lekkers mee, zoals aardbeienvlaai. Sommige jongens waren maar iets ouder dan mijn broer en ik, dus we konden ons Engels een beetje met hen oefenen.”

Geen kus of knuffel

“Maar hoe langer de oorlog duurde, hoe erger de situatie werd. De beschietingen waren wel minder sinds Dutchbat er was. Maar er was al zo lang geen elektriciteit, geen schoon water en weinig eten. Er was wel humanitaire hulp, maar op den duur hielden de Serviërs die tegen. Het was echt een soort open concentratiekamp waarin we in het nauw werden gedreven. Wij hadden het geluk dat we in ons eigen huis konden blijven wonen, dat we etensvoorraden uit onze eigen tuin hadden. Tienduizenden mensen waren naar Srebrenica gevlucht en hadden niets. Op een dag zaten we aan tafel en over mijn schouder heen greep een hand zo het eten van mijn bord. Het was een sterk vermagerde vrouw die ons huis was binnen­gekomen. Ze had zo veel honger en moest ook huilen, omdat ze eerst eten voor zichzelf pakte en niet voor haar kind.

Op den duur werd het schieten erger. En op die elfde juli 1995 zagen we een rivier van mensen van Srebrenica naar de compound van de Nederlandse soldaten lopen. De Serviërs waren bezig met de verovering van Srebrenica. Mijn vader zei: ‘We gaan naar Dutchbat, dat zijn vrienden, daar zijn we veilig.’  We hebben niet eens de deuren dichtgedaan en zijn gewoon vertrokken. Toen we er aankwamen, was het chaotisch met allemaal mensen die ook veiligheid zochten. Lang niet iedereen mocht naar binnen, er stonden duizenden mensen buiten de hekken. Wij mochten in het kantoortje van mijn vader verblijven, dat was fijn. Soldaten kwamen soms langs om chocolaatjes of Cup-a-soup te brengen.

Mijn vader was ondertussen bezig om ons op de evacuatie­lijst te krijgen. Over zichzelf maakte hij zich geen zorgen. Hij was immers in dienst van Dutchbat en had het recht met hen mee te gaan als ze het gebied zouden verlaten. We hebben er drie dagen gezeten. De Serviërs hadden bussen geregeld die alle vluchtelingen zogenaamd naar veilig gebied zouden brengen. We wilden niet weg uit het kantoor, we wisten dat we hen niet konden vertrouwen, maar Dutchbat dwong ons te gaan. We liepen naar de

uitgang en de angst die ik op dat moment voelde, is niet met woorden te beschrijven. Nog nooit in mijn leven ben ik zo bang geweest. We waren de compound nog niet af, of een Servische soldaat kwam naar mijn vader en zei: ‘Jij blijft hier.’ Mijn vader gaf mijn zusje, die hij nog in zijn armen had, aan mijn moeder. We hebben niet eens een kus of een knuffel gehad, maar werden vooruitgeduwd door de Serviërs. Ik keek steeds om, wilde mijn vader graag nog één keer zien, want ik wist dat het de laatste keer zou zijn. Maar hij was al uit mijn zicht verdwenen.”

Lees ook:
Julie: ‘Mijn moeder zette me op een dieet van koekjesdeeg, zodat ik ziek zou worden’

Helse tocht

“Die busreis was verschrikkelijk. We wisten niet waar we naartoe zouden gaan en waren ervan overtuigd dat we het niet zouden overleven. Om de zoveel minuten stopte de bus en dan kwamen er Serviërs binnen. We waren continu bang dat ze mijn broer, toen vijftien jaar, er ook uit zouden pikken. Hij had het geluk dat hij klein was voor zijn leeftijd. Ook was ik bang voor verkrachting. Op een gegeven moment werden er twee meisjes de bus in gegooid die waren verkracht, dat deden ze met jonge vrouwen.

Ik mocht ook niet naar buiten kijken van mijn moeder. Toen ik dat wel deed, zag ik langs de kant van de weg lichamen van vermoorde mannen liggen. Opgestapeld, nog minder dan dieren, als boomstronken die je klaarlegt om de haard mee te stoken. Ik kon het gewoon niet beseffen. Als we op dat moment een geweer of pistool bij ons hadden gehad, hadden we onszelf uit ons lijden verlost.

Na een aantal uur kwamen we dan echt in veilig gebied aan. We konden het haast niet geloven. Die hele nacht heb ik staan wachten of mijn vader ook zou aankomen, maar hij kwam niet. Uiteindelijk zijn we naar Nederland gevlucht. Dat had mijn vader altijd gezegd: als we ergens naartoe gaan, dan is het Nederland.

Ik denk dat ik zo’n drie maanden in Neder­land was toen ik vanaf de internationale vleugel in de opvang stapsgewijs doorstroomde naar een reguliere schoolklas. Ik vond het zo ontzettend spannend. We woonden in die tijd nog in het AZC. Dat lag in een prachtige omgeving, maar het gebouw zelf was oud en leek vanbinnen op een legerkazerne met stapelbedden en metalen kasten. De eerste keer dat we er kwamen, zag ik kakkerlakken op de grond. Ik moest zo hard huilen en was boos dat we ooit uit Bosnië waren vertrokken. In totaal hebben we daar, denk ik, bijna een jaar gewoond.

Uiteindelijk kregen we in Renswoude een huis toegewezen. De burgemeester heeft ons er persoonlijk naartoe gebracht. Een Bosnisch gezin uit het dorp was ingeschakeld om ons te ontvangen. Ik weet nog hoe die vrouw uitlegde hoe Nederlanders koffiezetten. Het was een fijne plek om te wonen. Mijn zusje was nog klein en zij vertelde op school dat we uit Bosnië kwamen en geen spullen hadden. Vervolgens kwamen er elke keer mensen aan de deur om van alles en nog wat af te geven. Mijn broer en ik schaamden ons zo.

In Bosnië hadden we alles en hier kwam iemand ons drie verschillende glazen geven. Hoe goed het ook bedoeld is, je voelt je dan zo’n mislukking. Na het vwo ben ik economie gaan studeren. Ik wilde altijd al journalist, presentatrice, actrice of schrijfster worden. Maar toen ik in Nederland was, dacht ik: mijn taal zal voor die beroepen nooit goed genoeg zijn. Bovendien was door de oorlog alle joy in mij vernietigd. Dromen najagen? Houd op. Ga gewoon iets doen waar je geld mee kunt verdienen. Ik heb even bij een bank gewerkt, maar daar was ik erg ongelukkig. Uiteinde-lijk ben ik les gaan geven op de Hogeschool Utrecht; dat doe ik nog steeds.”

Het hele interview lees je in Flair 46-2021. Deze ligt t/m 23 november in de (online) schappen. Op de hoogte blijven van onze leukste artikelen en winacties? Schrijf je dan gratis in voor onze nieuwsbrief.

Tekst: Marjolein Koster | fotografie Petronellanitta