Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Ulrike (41) woonde in Oost-Berlijn tijdens de val van de muur: ‘Ik denk graag terug aan die vreemde wereld van toen’

Ulrike (41) woonde in Oost-Berlijn tijdens de val van de muur: ‘Ik denk graag terug aan die vreemde wereld van toen’

Ulrike (41) woonde in Oost-Berlijn tijdens de val van de muur: ‘Ik denk graag terug aan die vreemde wereld van toen’
Dit verhaal heeft eerder in Flair 45-2020 gestaan

Op 9 november is het precies 31 jaar geleden: de val van de Berlijnse muur. Ulrike (41) woont samen met haar Nederlandse vriend Jos en hun drie kinderen in Oost-Berlijn en groeide er op. “Het was destijds bizar: in één nacht lagen er allemaal nieuwe producten in de supermarkt.”

“Mijn eerste barbie kan ik me nog heel goed herinneren. Die poppen had je in Oost-Duitsland niet, maar ik kende ze wel van reclames op de West-Duitse televisie. Na de val van de muur kregen alle Oost-Duitsers vijftig Duitse Mark Begrüßungsgeld van West-Duitsland. We stonden uren voor dat  ‘welkomstgeld’ in de rij en toen kocht mijn oma in West-Berlijn een barbie voor me. Zo een met twee haarkleuren: onder was het blond en bovenop bruin.

Wat was ik blij met die barbie. Ik vertel nog weleens aan mijn dochters – die wel twintig barbies hebben – hoe gelukkig ik met één pop was. ‘Jaahaa mam, dat weten we nou wel,’ zuchten ze dan.”

Leven in Oost-Duitsland

“Tien jaar was ik, en ik lag gewoon te slapen toen de eerste stukken door een feestende meute uit de muur werden gehakt. Mijn vader was ook in diepe slaap na een avondje kaarten en bier drinken met zijn vrienden. Mijn moeder zat dus alleen voor de televisie en hoorde een van de DDR-partijleiders tijdens een persconferentie opeens vertellen dat de grens openging.

Die twee Duitslanden, Oost en West, waren na de Tweede Wereldoorlog ontstaan. Oost-Duitsland – waar wij woonden – had het idealisme om een sociale wereld voor iedereen te creëren, als tegenhanger van het fascisme. Maar ondanks alle pogingen daartoe – iedereen verdient hetzelfde, iedereen krijgt een baan en een huis, iedereen is gelijk en we delen alles – was de DDR een dictatuur, min of meer bestuurd vanuit Moskou.

Wie zich tegen het regime keerde, kwam in de problemen: de veiligheidsdienst Stasi luisterde mensen thuis af of liet mensen die kritisch waren volgen. Je kon worden opgepakt, in de gevangenis belanden. Of de staat zorgde ervoor dat je bijvoorbeeld niet kon gaan studeren en dus niet de baan kon krijgen die je graag wilde. Er was geen vrijheid van meningsuiting en geen vrijheid van reizen, je kon niet zonder toestemming het land uit.”

Berlijnse muur

“Het Westen werd via propaganda gestigmatiseerd tot het ‘imperialistische buitenland’, dat alleen maar kwaad in de zin had. Omdat steeds meer mensen naar West-Berlijn of West-Duitsland vluchtten, werd in 1961 de vier meter hoge muur gebouwd. De grens – die midden door Berlijn liep – werd de best bewaakte grens van de hele wereld. De DDR noemde deze de ‘antifascistische beschermingsmuur’. Mensen die een vluchtpoging waagden, werden vaak neergeschoten.

Maar eind jaren tachtig kwamen steeds meer mensen in verzet tegen de staat en in november 1989 viel de muur door ‘de vredige revolutie’. Wij woonden in een buitenwijk van Oost-Berlijn, ver van de muur vandaan, dus mijn moeder dacht er niet aan om ons wakker te maken en er te gaan kijken, zoals duizenden stadsgenoten wel deden. Het was die nacht één groot volksfeest bij de muur. Oost-Duitsers klommen eroverheen en werden juichend door West-Duitsers ontvangen.”

Eindelijk naar West-Berlijn

“De volgende dag zou mijn moeder, die IJslands heeft gestudeerd en af en toe als tolk werkte, naar IJsland vliegen. Ze had al maanden geleden een aanvraag ingediend en na lang wachten eindelijk een visum gekregen, want zomaar naar het buitenland afreizen zat er voor Oost-Duitsers niet in.

De dag na de val van de muur stapte mijn moeder zoals gepland op het vliegtuig. Ze werd bij aankomst door de president van IJsland opgewacht, want ze was met haar collega’s de eerste groep Oost-Duitsers die na het openen van de grens in het land aankwam. Ze werden als helden ontvangen en kwamen in de krant.

Ik stak ondertussen met mijn vader en overgrootmoeder voor het eerst de grens naar West-Berlijn over. Mijn ouders waren er wel vaker geweest, want je kon voor familiebezoek – speciale gelegenheden zoals een vijftigjarig huwelijk – toestemming vragen om naar West-Duitsland te gaan. Maar kinderen mochten nooit mee, anders waren de autoriteiten bang dat je niet terug zou komen. Een enkeling deed dat toch, die liet de rest van z’n gezin achter om in het Westen te kunnen wonen.

We reden naar de zussen van mijn overgrootoma die in het Westen woonden en gingen naar winkels op de Kurfürstendamm. Al die warenhuizen, die bioscopen! Dat hadden we niet in de DDR. De etalages stonden helemaal in het teken van kerst en ik weet nog hoe ik verwonderd staarde naar een gigantische kerstman van chocolade, zoiets had ik nog nooit gezien.”

Naar de McDonald’s

“Het eerste weekend dat de grens open was, ging ik met mijn oudtante naar McDonald’s. Ze pakte een hand vol rietjes uit zo’n bakje: ‘Kijk, die zijn gratis hier. Neem mee!’ Dat vonden we zo bijzonder, dat die daar in zulke grote hoeveelheden lagen. We hadden zelf trouwens ook wel rietjes, maar alleen van die dunne. In het Westen hadden ze heel andere spullen en zo veel meer keus. In het Oosten had je van alles maar één soort: één merk koffie, één soort rijst.

Een buurmeisje van me kreeg vaak Westers speelgoed toegestuurd van haar grootouders in Oostenrijk. Zoals knuffels die je kon omvouwen tot een rugzak, fantastisch vond ik dat. Er waren ook speciale winkels met spullen uit het Westen in ons deel van de stad, die heetten Intershops en zaten verstopt in grijze Oost-Duitse gebouwen. Als je West-Duits geld had, kon je daar Gummiberen kopen of knuffels in regenboogkleuren. Zo’n winkel was het Westen in het klein. Ik wist daardoor dat er een hele wereld aan spullen was die voor mij onbereikbaar was.

Na de val van de muur was ik zo blij met alle boeken die ik ineens kon lezen. Ik las veel en graag, maar Oost-Duitse boeken waren zwaarmoedig, er zat bijna altijd een socialistische moraal in. Nu kon ik ook luchtige boeken lenen in de bibliotheekbus, die om de week door onze straat reed. Ik verslond alles van Enid Blyton – De Vijf! – en las verrukt Mary Poppins.

Toen de grens open was gegaan, was er opeens zo veel meer te krijgen. Oost-Duitsers kochten massaal videorecorders en overal openden videotheken. Tegelijkertijd was het niet zo dat we nu opeens alles hadden. Je moest er wel het geld voor hebben en het salaris in het Oosten was erg laag. Maar dat vond ik als kind niet erg, ik hoefde helemaal niet alles te hebben, want het was al een feest dat er in de winkel nu keus was uit verschillende chocoladerepen. Dat was zo bizar: in één nacht veranderden alle schappen en lagen er allemaal nieuwe producten in de supermarkt.”

Socialistische samenleving

“In Oost-Duitsland leefde je in een socialistische samenleving vol communistische propaganda. Je moest alles delen, was de boodschap, en in het Westen heerste een verdorven consumentensamenleving waar het draaide om kopen, kopen en nog meer kopen. Als je iets ‘Westers’ had, nam je het niet mee naar school. Mijn vriendinnetje had een plastic tas met een Westers logo, die moest ze binnenstebuiten keren. Een jongen in mijn klas had een pet waar Marlboro op stond, die mocht hij absoluut niet op naar school. Thuis mocht het wel allemaal gewoon.

Wij leefden weliswaar in dat systeem, maar mijn ouders voelden donders goed aan dat er niets van klopte, zoals de meeste gestudeerde mensen diep vanbinnen niets met dat socialistische regime hadden. Mijn vader en moeder lazen de krant met een blik van: wat staat er tussen de regels door? Ze wisten wel beter dan al die staatspropaganda te geloven. Mijn moeder kan nu nog geen krant van vroeger zien: ‘Weg met al die leugens, ik heb die veel te lang moeten lezen.’ Mijn ouders dachten gelukkig zelf na.

Mijn overgrootmoeder was wel overtuigd. Zij geloofde wat de leiders vertelden, bijvoorbeeld dat de muur was gebouwd omdat de West-Duitsers op onze mooie, goedkope spullen aasden. Terwijl die muur er natuurlijk puur kwam om de leegloop te stoppen, want miljoenen Oost-Duitsers vertrokken naar het rijke en vrije Westen. Maar ik snap het vertrouwen van mijn overgrootmoeder in de staat ook wel, want zij had de oorlog nog meegemaakt en de DDR zorgde voor haar veiligheid en centrale verwarming.”

Socialisme op school

“Als kind kreeg ik niet veel mee van de leugens en de onderdrukking. Mijn ouders leerden op school nog over het ‘slechte kapitalistische Westen met al z’n fascisten’, maar dat het Westen verdorven was, werd in mijn tijd al niet zo nadrukkelijk meer onderwezen. Het was in de jaren tachtig wat milder geworden. Wel moest ik op school Russisch leren en kregen we te horen dat Russische kinderen onze beste vrienden waren. Soms kwam er een schoolklas uit Rusland langs, maar die kinderen praatten zo snel dat we niet echt contact konden maken.

Je moest als kind ook verplicht bij de Pioniere, dat was de socialistische jeugdbeweging, een soort padvinders. Ik vond het daar best leuk. Net als op school hadden we een vaste groet. De leraar of leider zei dan: ‘Für Frieden und Sozialismus seid bereit’ (‘Wees bereid voor vrede en socialisme’, red.), de klas antwoordde met de rechterhand op het voorhoofd: ‘Immer bereit.’ […]

Mijn vader en moeder waren net als de meeste gestudeerde mensen, zij prikten door de propaganda heen. Zij schikten zich, maar namen alles met een korreltje zout. Dan had je nog het echte verzet, de rebellen die probeerden het systeem te veranderen: zoals intellectuelen en de kerk. Onder de gewone mensen, de werkende klasse, waren er velen die wel het socialisme omarmden.”

Vroeger beter

“Nu nog zijn er mensen die vinden dat het vroeger beter was. Ik denk dat ze het zich te rooskleurig herinneren, maar het is wel zo dat veel arbeiders hun banen kwijtraakten na de val van de muur en jarenlang geworsteld hebben. Het is heel lastig om te bedenken wat je moet doen als je gewend bent dat de staat dat allemaal voor je beslist. Veel arbeiders vonden het wel lekker duidelijk: je ging naar de baan die je toebedeeld kreeg, dronk ’s avonds een biertje, klaar.

Mijn ouders waren blij dat de muur viel en de wereld veranderde, maar ook voor hen was het daarna niet makkelijk. Ze waren nu vrij, maar als je in de dertig bent en een kind van tien hebt, kies je niet opeens een heel ander levenspad. Mijn vader verloor zijn baan, want veel Oost-Duitse bedrijven werden opgedoekt, en hij was lang zoekende. Ze waren het niet gewend om zich uit te spreken en konden zich niet zo makkelijk redden in de westerse wereld waarin je jezelf moest verkopen en bij een sollicitatie moest zeggen waar je goed in was. […]

Oost-Duitsers werden onzeker van alle nieuwe mogelijkheden, hadden geen idee waar ze goed in waren. Nu is dat minderwaardigheidsgevoel van de Oost-Duitsers wel aan het verdwijnen; er zijn hele generaties opgegroeid na de hereniging. West-Duitsers zijn niet zo arrogant meer en Oost-Duitsers zijn mondiger geworden. Toch meen ik te herkennen wie van origine uit Oost-Duitsland komt. Met Oost-Duitsers voel ik sneller een klik, de Ossies hebben meer gemeenschapsgevoel en zijn niet zo formeel.”

Lees ook
Een familielid van Miloe (46) was NSB’er: ‘De schaamte in onze familie zit heel diep’

Dankbaarheid

“Mijn Nederlandse vriend en ik wonen met onze drie kinderen in Oost-Berlijn. Hiervoor woonden we ruim vijftien jaar in Nederland. Opgroeien achter de muur heeft me bewust gemaakt van de luxe die we in het Westen hebben. Nu nog kan ik in de supermarkt lopen en me verwonderen over die overvloed aan keuzes. Wij hadden vroeger geen schap vol snoep, je had één soort lolly – rode natuurlijk.

Tot 1991 hadden wij geen telefoon thuis, we schreven ansichtkaarten. Als we iets lekkers maakten, was dat pudding of we bakten een taart, meer had je niet. In de jaren tachtig haalden wij ’s ochtends nog kolen om de oven mee te verwarmen en onder de douche moest ik bibberend wachten tot de boiler het water verwarmde.

Nog steeds kan ik goed afzien, als we op reis ergens komen waar het niet zo netjes of schoon is, pas ik me makkelijk aan. Ik ben zuinig op kleding, die repareer ik eerst twee keer voordat ik iets nieuws koop. Mijn kinderen naar de opvang brengen, vond ik niet lastig. Zelf ging ik immers als kind ook vijf dagen naar de crèche. In Oost-Duitsland werkte iedereen fulltime, ook vrouwen. De werkkrachten waren allemaal hard nodig. Er was zelfs 24 uur per dag opvang beschikbaar. Op school had ieder kind een sleutel bij zich, na de lessen dumpte je snel je tas thuis en ging je uren buiten spelen.

Al jong pakte ik zelf de S-Bahn – een soort metro – om mijn moeder op haar werk op te zoeken. Ik laat mijn kinderen nu ook al veel alleen doen, meer dan westerse ouders doen. Notabene mijn moeder merkte laatst op dat mijn zoon van twaalf wel jong was om al in z’n eentje het centrum van Berlijn in te gaan. Ik moest zo lachen: ‘Hallo, ik was nog veel kleiner toen ik de hele stad alleen afreisde. En ik had geen smartphone, jij had geen flauw idee waar ik was,’ hielp ik haar herinneren.

Opgroeien in Oost-Duitsland heeft me heel zelfstandig gemaakt en dankbaar voor de spullen die ik nu allemaal kan kopen. Het was natuurlijk helemaal geen oké systeem, dat socialistische regime, maar ik heb een fijne jeugd gehad. Ik denk graag terug aan die vreemde wereld die er niet meer is. Maar vrijheid is wel heel belangrijk. Niet dat mijn ouders nu opeens uitgebreide politieke discussies voeren, zo zijn ze gewoon niet. Maar het gevoel dat het kán, daar gaat het om. Dat je vrij bent.”

tekst Eva Munnik | Fabien Campoverde (openingsfoto)