Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Tessa (28) had een prenatale depressie: ‘Er is niets meer over van die leuke meid die van het leven genoot’

Tessa (28) had een prenatale depressie: ‘Er is niets meer over van die leuke meid die van het leven genoot’

Tessa (28) had een prenatale depressie: ‘Er is niets meer over van die leuke meid die van het leven genoot’

Tijdens de zwangerschap van haar tweede kind voelde Tessa (28) zich niet goed. Uiteindelijk ging het zelf zo slecht dat ze werd opgenomen met een prenatale depressie. “Ik droomde ik dat ik in de keuken stond met een mes voor mijn buik, klaar om mijn kind eruit te snijden. Doodsbang werd ik ervan.”

Tessa woont samen met Jeroen en is moeder van Danique (2,5 jaar) en Milan (9 weken).

Ingestort

“Ik vertelde pas hoe slecht het met me ging toen ik merkte dat ik niet te vertrouwen was met Danique. Eigenlijk kon ik al weken niets meer van haar hebben. Als ze gewoon aan het zingen was, dacht ik al: hou alsjeblieft je mond. Toen ik haar een keer in bed probeerde te krijgen en ze niet luisterde, ging het mis. In mijn wanhoop gooide ik haar in haar bedje. Hard. Zo hard dat de lattenbodem brak.

De volgende dag stortte ik in bij de gynaecoloog. Ik was er om mijn bloeddruk te laten meten, maar eenmaal in de stoel begon ik ontzettend te huilen. Ik kon niet meer. Was uitgeput door de onrustige nachten, door de enge dromen. De gynaecoloog schakelde direct de GGZ in.”

Nergens van genieten

“Mijn eerste zwangerschap was ook een drama, maar alleen in lichamelijk opzicht. Ik had een ernstige vorm van bekkeninstabiliteit en mijn bloeddruk was veel te hoog. Ondanks alles kon ik wél genieten. Van de echo’s, het hartje horen kloppen en natuurlijk van spulletjes kopen. Al vroeg had ik het babykamertje klaar, en toen we op de pretecho zagen dat we een meisje kregen, ging ik los met kleding. Anderhalf jaar na haar geboorte ging het alweer kriebelen. Een broertje of zusje voor Danique leek ons zó leuk. Binnen vier maanden was ik zwanger. Dolblij waren we ermee.

Dat veranderde toen ik tien weken zwanger was. Ik voelde me rot. Dat is op zich niet gek als je net zwanger bent, er gebeurt zo veel in je lichaam. Dat ik moe en misselijk was, vond ik normaal. Maar er was één groot verschil met mijn eerste zwangerschap: ik genoot nergens van. Zelfs de rondreis die we maakten langs de westkust van de Verenigde Staten was een kwestie van op de automatische piloot de dagen door zien te komen.

Na afloop wist ik niet eens meer wat we allemaal hadden gedaan. Ik dacht dat het door de hormonen kwam, en hoopte dat het vanzelf over zou gaan. Tegen de mensen om me heen hield ik een masker op. ‘Het gaat príma!’ riep ik als iemand vroeg hoe ik me voelde. Ik geef het niet snel aan als het niet lekker gaat, los dingen liever alleen op.”

Nachtmerries

“Elke week ging het slechter. Ik at vrijwel niets, eten smaakte me niet. Ook kreeg ik gruwelijke nachtmerries. Over bloedingen die ik kreeg, bijvoorbeeld. Ook droomde ik dat ik in de keuken stond met een mes voor mijn buik, klaar om mijn kind eruit te snijden. Doodsbang werd ik ervan. Vooral omdat ik ook overdag, als ik wakker was, een steeds sterkere afkeer voelde van mijn zwangere buik. Als de baby eruit was, zou ik van alle ellende verlost zijn, dacht ik.

Bijna twintig weken zwanger was ik, toen ik ’s nachts overeind schoot: ‘Hoor jij al die sirenes ook?’ Maar nee, Jeroen hoorde niets. Ik ging naar de wc en zag schimmen en schaduwen bewegen op de gang. Toen ik in datzelfde weekend óók Danique zo hard in bed gooide, wist ik: het gaat echt niet goed. Dit moet stoppen.”

Beginnende psychose

Uit de vragenlijst die ik moest invullen van de GGZ-verpleegkundige, bleek ik een beginnende psychose te hebben. Ze vertelde dat ik niet meer alleen mocht zijn. De volgende dag moest ik me melden bij het Erasmus MC. Ik werd opgenomen op een gesloten psychiatrische afdeling. Ik stemde daarin toe, want ik kón gewoon niet meer. Ik was mezelf kwijt. Met mijn tas in de hand liep ik door de ziekenhuisgangen en het enige wat ik dacht was: in welke film ben ik beland?

Jeroen schrok zich rot toen hij op zijn werk werd gebeld door het ziekenhuis. Hij wist wel dat het niet goed met me ging, maar zó slecht? Hij deed er alles aan om me te helpen. Acht weken duurde mijn opname en elke dag kwam hij langs. Dan bleef hij zo zes uur bij me, terwijl hij ook nog zijn werk en de zorg voor Danique had. Zonder hem was ik er misschien niet meer geweest, want voor mij hoefde het leven toen niet meer. Hij heeft me er echt doorheen gesleept. Door te luisteren, te praten, een arm om me heen te slaan, er gewoon te zijn als ik moest huilen. En hij bleef zeggen: ‘Je komt er echt sterker uit, hou vol’.”

Taboe op psychische problemen

“In het ziekenhuis kreeg ik veel structuur en therapie. Bij creatieve therapie vond ik rust in de kleurboeken voor volwassenen. Al had ik soms het geduld niet, want ik kon me niet goed concentreren. Ook kreeg ik therapie waarbij ik doelen moest stellen en leerde ik naar mezelf te kijken. Bijvoorbeeld dat ik niet te veel van mezelf moest vragen als ik met verlof naar huis zou gaan. Dat ik mijn rust moest pakken in plaats van het huishouden te gaan doen.

Ik vind het lastig om mijn grenzen te bewaken of om hulp te vragen, omdat ik anderen nooit tot last wil zijn. Juist daarom kwam het ook zo hard aan dat ik op veel onbegrip stuitte in mijn omgeving. Er rust nog altijd een groot taboe op psychische problemen, merk ik. Een paar mensen die heel dicht bij me stonden, hebben me laten vallen als een baksteen.

Oók iemand die zelf in de zorg werkt. Zij zou toch moeten begrijpen hoeveel er tijdens een zwangerschap kan misgaan, ook in psychisch opzicht? Maar ze kwam niet bij me langs toen ik opgenomen was en zei letterlijk: ‘De wereld draait niet alleen om jou.’ Ik was er kapot van. En iemand anders riep: ‘Je bent knettergek geworden. We halen je zo snel mogelijk weg uit dat gesticht!’ Dat ik door hen zo in de steek ben gelaten in de moeilijkste tijd van mijn leven, doet me nog elke dag pijn. Kennelijk willen ze niet eens de moeite nemen om te begrijpen hoe ik me voel.”

Je moet blij zijn

Er is ook tegen me gezegd: ‘Er zijn vrouwen die helemaal geen kinderen kunnen krijgen. Dát is pas erg. Je moet blij zijn, ga toch gewoon genieten.’ Maar zo werkt het niet. Ik wilde Milan dolgraag, hij was en is enorm gewenst. En ik wil helemaal niet ziek zijn, ik vecht om beter te worden. Los van mijn depressie was mijn zwangerschap een bizarre, nare film. Vier keer moest ik worden opgenomen in het Sofie Kinderziekenhuis. Twee keer vanwege lichamelijke klachten, en twee keer vanwege een dreigende vroeggeboorte: met 28 weken en met 31 weken wéér.

Gelukkig sloegen beide keren de weeënremmers goed aan. En wat heel mooi was: ik merkte dat de antidepressiva hun werk gingen doen. Ik werd sterker. De heftige gesprekken in het ziekenhuis – stel dat hij nu al wordt geboren? – en de confronterende rondleiding over de couveuseafdeling kon ik prima aan. Ik voelde vechtlust: ik ga er alles aan doen om dit kindje te houden. Anderen viel het ook op. Ik zag er ook veel beter uit. Ik had wel stress en verdriet om de situatie, maar was niet langer somber. Even was mijn oude zelf terug.”

Lees ook
Robin (33) groeide op met een manisch-depressieve vader: ‘Mijn vader worstelde met psychoses’

Elk huiltje is te veel

“De laatste maand van mijn zwangerschap heb ik gelukkig thuis doorgebracht. Dat ging goed, ik kocht kleertjes en maakte de kinderkamer af. Wel vond ik het moeilijk dat mijn dochter niets van mij moest weten. Ze sloeg me, luisterde niet en wilde niet door mij naar bed gebracht worden. Ze heeft me te lang moeten missen, ook al had ze me bezocht in het zieken­huis. Het afscheid daar was elke keer een drama. Dan zei ze: ‘Mama mee?’ en huilde vervolgens alles bij elkaar als ik achter de deuren bleef staan zwaaien terwijl zij vertrok. Dat vergeet ik nooit meer; ik voelde zó schuldig dat ik er niet kon zijn voor haar.

Nu gaat het gelukkig beter tussen ons. Ze wil zelfs weer met me kroelen. Hoe blij ik daar ook om ben, het lukt me helaas nog niet om ervan te genieten. De eerste week na Milans geboorte ging het goed met me. Eindelijk had ik het jongetje voor wie ik zo had gevochten in mijn armen. Toen de kraamtranen zich in alle hevigheid aandienden, dacht ik nog: het komt wel goed. Maar dat is niet zo.

Elk huiltje is me te veel. Opnieuw is het een gevecht om de dagen door te komen. Ik heb nieuwe medicijnen gekregen en hoop dat die aanslaan, dat mijn stemming verbetert. Ik word er zo moedeloos van: word ik nog wel beter? Ik wil er zo graag zijn voor mijn kinderen en Jeroen. Van die leuke, spontane meid die van het leven genoot, is niets meer over.” 

Pre, post, peri?

De term ‘postnatale depressie’ (letterlijk: depressie na de geboorte) is officieel vervangen door postpartum depressie (na de bevalling). Deskundigen praten inmiddels liever over wéér een andere term, namelijk: peripartum depressie. Hierbij gaat het om een depressie tijdens de zwangerschap of in de eerste vier weken na de bevalling. Daarmee is meteen ook de prenatale depressie (voor de bevalling/geboorte) gecoverd.

Interview: Marlies Jansen