Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Stephanie-Joy (36) was verslaafd en leefde op straat: ‘Ik verbraste mijn studiefinanciering, 3000 euro snoof ik weg’

Stephanie-Joy (36) was verslaafd en leefde op straat: ‘Ik verbraste mijn studiefinanciering, 3000 euro snoof ik weg’

Stephanie-Joy (36) was verslaafd en leefde op straat: ‘Ik verbraste mijn studiefinanciering, 3000 euro snoof ik weg’

Als ze een tiener is, gaat het helemaal mis met Stephanie-Joy Eerhart (36). Ze raakt verslaafd aan drugs en zwerft op straat. “Gek genoeg voelde het veilig, dat leven. Niemand verlangt iets van je, je kunt niet falen.” Nu is ze ‘vreselijk gelukkig’ en helpt ze het liefst anderen met problemen.

“Als ik een handdoek met ruitjesmotief zie, denk ik soms weer aan die middag. Zes jaar was ik en ik probeerde met alle macht een geruite handdoek weg te trekken van mijn been, maar omstanders hielden me tegen. Ze wilden niet dat ik mijn verbrijzelde voet onder die doek zag. Ondertussen hield mijn vader mijn slagader dicht en redde daarmee mijn leven.

Net daarvoor was ik teruggekomen van school met het busje dat me elke dag haalde en bracht. Na een oorontsteking als peuter was ik slechthorend en daarom ging ik naar speciaal onderwijs. De afspraak was dat ik aan de overkant van de weg zou wachten tot papa of mama me haalde om samen over te steken. Maar om de een of andere reden dacht ik die dag met kinderlijke bravoure dat ik wel alleen naar de voordeur kon lopen. Ik was toch al een grote meid?”

Auto-ongeluk

“De auto die me schepte remde, reed vervolgens achteruit nog eens over me heen en verbrijzelde mijn voet. Ik weet niet meer wat ik dacht toen ik daar op straat lag, ik weet alleen dat ik wilde dat papa ophield met knijpen en ik vroeg om Ollie, mijn knuffelolifant. Een van de buren ging ’m halen. In het ziekenhuis betwijfelden de artsen of mijn been te redden was. In een week werd ik vier keer geopereerd. Daarna probeerden ze mijn voet te reconstrueren met een spier uit mijn rug en huid van mijn bovenbeen.

Toen maakte het allemaal nog niet zo veel indruk op me. Ik was zes jaar en vooral trots dat ik een rolstoel kon gebruiken en later op krukken kon lopen: ‘Kijk eens wat ik kan.’ Maar achteraf was dat ongeluk een keerpunt in mijn leven. Want toen ik ouder werd, kwamen de gevolgen ervan wel binnen. Omdat klas-genootjes met gym vroegen waarom mijn voet er zo gek uitzag. En omdat ik baalde dat ik van de artsen niet mocht rennen, skeeleren of schaatsen. Bovendien moest ik allemaal hersteloperaties ondergaan.

Precies in die periode dat bij mij de klap kwam, wilden mijn ouders niet meer terugkijken. Ik kon er niet met ze over praten. Zij hadden iets van: we hebben je alles verteld en een fotoboek gemaakt. We hebben het overleefd en we kunnen nu eindelijk door. Maar voor mij ging het leven niet door, het viel in die tijd juist voor het eerst stil. Het ongeluk heeft mij van mijn familie – ik heb twee broertjes – verwijderd. We hebben elkaar niet gevonden in de verwerking ervan. En hoe ouder ik werd, hoe minder begrepen ik me voelde.”

Tegendraads

“Als tiener was ik diep ongelukkig, ik schaamde me voor mijn littekens en stopte mezelf weg. Ik hoorde nergens bij en mijn ouders konden er niks mee. Hun overlevingsstrategie was: het is hoe het is. Mijn ouders wisten niet hoe ze een kind emotioneel moesten ondersteunen bij zoiets heftigs. En in die tijd kon je niet op internet om uit te zoeken hoe je dat deed. Mijn voet werd wel gereconstrueerd, maar hoe reconstrueer je een gezin?

Doordat ik ver weg op speciaal onderwijs zat, had ik amper vrienden. De paar vriendinnen die ik had, waren net zo triest als ik zelf was, we waren eenzaam. Ik begon te krassen in mijn armen, want met lichamelijke pijn kon ik beter dealen dan met de pijn in mijn hoofd. Fysieke pijn was ik gewend door mijn verbrijzelde voet.

Via het Riagg – dat is nu de GGZ – kreeg ik assertiviteitstraining. Ik moest assertiever worden, vonden ze, met andere woorden: er was iets mis met mij. Daarmee werd voorbijgegaan aan de reden waarom ik zo was, namelijk mijn handicaps – mijn voet en slechthorendheid – en de littekens. Ik had therapie nodig om het ongeluk en de gevolgen ervan te verwerken.

Achteraf vind ik het zo raar dat er nooit is nagedacht over de mentale weerslag van zo’n ernstig ongeluk op een kind en het gezin, zo vreemd dat daar nooit hulp bij is geboden. Ik werd tegendraads en gothic: ik droeg veiligheidsspelden in mijn kleding en sokken om mijn handen. Mijn gedrag haalde de aandacht weg van wat er echt mis was, zoals het ‘slechte’ gedrag van een kind meestal een dekmantel is voor het verdriet eronder.”

Uit huis geplaatst

“Amper veertien was ik toen ik met een vriendin besloot zelfmoord te plegen. Ik had 220 paracetamolpillen verzameld, maar mijn ouders vonden ze. Ze confronteerden me ermee in de auto toen ze me ophaalden van een van de vele hersteloperaties aan mijn voet. Ik werd zo radeloos en wanhopig, voelde me zo onbegrepen, dat ik op mijn gips wegliep.

Daarna werd ik uit huis geplaatst. Dat wilden niet alleen mijn ouders, ik wilde zelf ook weg. De spanning in ons gezin was te groot en ik trok het niet dat mijn emoties steeds met ratio werden beantwoord. ‘Je kunt wel huilen, maar daar bereik je niks mee’ was het motto van mijn moeder.

Ik kwam in een behandelgroep terecht. Daar sloot ik eindelijk echte vriendschappen. We waren allemaal jonge meiden, droegen elkaars kleren en trokken samen op. Het waren wel allemaal kinderen met een geschiedenis: verslaafde ouders, seksueel misbruik, een breed spectrum aan ‘verpeste’ kinderen. Ik rookte niet, dronk niet, mijn ouders staken geen naald in hun arm noch lagen ze laveloos op de bank. Bij mij was het puur een emotionele behoefte die niet werd gezien. Ik ging ook roken en blowen.”

Onbegrepen

“De hulpverlening sloeg de plank mis: ik kreeg therapie, maar eigenlijk had het hele gezin in therapie gemoeten. Nu is er gelukkig steeds meer aandacht voor systeemtherapie. Een kind is immers onderdeel van een gezin – een systeem – en het hele systeem is de oorzaak van de problemen. Je kunt niet het gezin onbehandeld laten en alleen aan het kind werken.

Mijn ouders begrepen mij nog steeds niet. Dan zat ik huilend weggedoken in mijn jas terwijl mijn moeder opsomde wat ik allemaal fout deed, en was het enige wat ze tegen me zei: ‘Doe normaal, doe die jas open. Wat moeten ze wel niet van ons denken?’ Mijn kamer ging naar mijn broertje, als ik een weekend thuis kwam, moest ik op de logeerkamer slapen.

Het was niet alleen verdrietig voor mij dat mijn ouders de plank zo missloegen, maar ook voor hen. Vooral voor mijn moeder voelde het als falen dat haar kind niet thuis woonde. Er is geen reden om te wijzen achteraf, ze deden hun best. En ze zijn nooit gestopt met van me te houden, me lief te hebben en contact te houden.”

Verslaafd

“Een van de meiden op mijn groep had een verslaafde vader. Haar moeder was overleden door een besmette heroïnenaald en mijn vriendin wilde graag naar haar pa. Ze liep weg en ik mocht mee. Samen trokken we het gebruikershol van haar junkie-vader in. Ik weet nog hoe trots ze op haar kamer was, ook al lag er alleen een matras waar de veren uit staken.

Die vader rookte cocaïne en ik mocht ook. Ik was zeventien en wist niet wat me overkwam. Die eerste keer cocaïne was nergens mee te vergelijken, zo lekker. Drie dagen zat ik daar coke te roken. Ik plunderde mijn hele spaarrekening. Toen moesten we terug naar de groep.

Onderweg viel de roes weg. Het was alsof ik in een plastic zak had gezeten waar de wereld niet binnenkwam en nu werd ik weer nuchter. Ik heb de hele weg terug gehuild en dacht alleen maar aan meer cocaïne. Dat was mijn antwoord, dacht ik, mijn redding. Want als ik die gebruikte, deed niets er meer toe.

Ik kwam nog verknipter terug in de groep dan ik al was, wist nog minder hoe te leven. Ik bleef drugs gebruiken, ging door met krassen, maar begon ook met snijden. Regelmatig belandde ik op de eerste hulp van het ziekenhuis omdat ik te diep had gesneden. Ik leerde voor sociaal pedagogisch werker, maar ik vond iemand bij wie ik coke kon kopen en verbraste al mijn studiefinanciering. Drieduizend euro snoof ik weg.”

Jongerencrisiscentrum

“Toen mijn begeleiders er uiteindelijk achter kwamen, moest ik naar een jongerencrisiscentrum, waar ik speed ging gebruiken. Uiteindelijk kwam ik in een jongerenpension terecht, waar ook mijn cokedealer woonde. Daar was geen hulpverlening, je kreeg bed, bad en brood. Je mocht stoned zijn als het maar niet in de woonkamer was.

Ik had een stoere houding aangenomen van ‘niets kan mij raken’. Overdag moesten we weg uit het pension en dan hing ik de hele dag in het park. Ik ontmoette daklozen wier eigen kinderen uit huis geplaatst waren of met wie ze geen contact meer hadden. Die daklozen moederden over mij, dat kleine tienermeisje. Ik zat daarna nog drie maanden in een kamertrainingscentrum, waar je begeleid woont, maar ik werd daar weggestuurd omdat ik niet meewerkte. Met een vriendin huurde ik een zoldertje. Ik was inmiddels ook verslaafd aan speed.”

Lees ook
Chantal (40) is slachtoffer van identiteitsfraude: ‘Door de financiële toestanden en de mentale uitputtingsslag ging ik failliet’

De kerk gaf me hoop

“Toen kwam ik mensen tegen van de kerk. Ze namen ons mee in een busje voor een warme maaltijd en een bijbelverhaal en hoopten ons zo te bekeren. Ik begon naar hun kerkdiensten te gaan waar ook andere verschoppelingen, ex-prostituees en verslaafden kwamen. Dat voelde zo warm, het was als thuiskomen.

Ik ben niet gelovig opgevoed, maar nu kreeg ik eindelijk de boodschap dat ik altijd kon herstellen. Dat God wist wat ik nodig had. De kerk gaf me hoop. Ik liet me dopen en meteen daarna ging ik achter de kerk staan om een blowtje te roken. Maar het lukte niet: ik werd niet stoned, ook van de tweede joint niet. Eerst was ik heel pissig. Toen dacht ik: mijn herstel begint, dit doet God. In christelijke termen is de doop een nieuw begin, de markering dat het oude voorbij is. En prompt kon ik niet meer stoned worden, het was prachtig.

Ik mocht in een opvang van de kerk wonen. Al mijn piercings deed ik uit, mijn mobiele telefoon leverde ik in en mijn uitkering ging naar de kerk. Een jaar lang woonde ik in dat christelijk therapeutisch afkickcentrum en ik was heel gelukkig. Toen moest het centrum wijken voor de bouw van een villawijk. De bewonersgroep van het centrum viel als brokstukken uiteen.We zaten in bungalows, maar het toezicht en de eenheid waren weg. De een na de ander viel af en ging de straat weer op.

Ik was bang om terug te vallen en bedacht dat ik aan de methadon moest. In mijn hoofd was dat medicatie voor als je geen harddrugs wilde gebruiken. Maar eigenlijk is methadon chemische heroïne, het allerergste wat je kunt gebruiken. Het verdoofde me wel weer, niets kon me meer schelen.

Ik viel terug in mijn oude leven, was vergeten hoe dat me kapot had gemaakt en dacht alleen maar aan de vrijheid. Ik kocht methadon van heroïneverslaafden die het kregen om af te kicken maar liever aan de heroïne bleven. Ook blowde ik en verbleef in de dag- en nachtopvang.”

Bedelen om geld

“Anorexia had ik er ook nog bij, ik was er erger aan toe dan ooit, woog maar 38 kilo. Mijn dagen zagen er allemaal hetzelfde uit. Om half negen ’s ochtends moesten we de nachtopvang uit, dan ging ik op straat hangen tot om tien uur de dagopvang opende. Daar dronk ik koffie en dan ging ik bedelen tot ik geld had om naar de coffeeshop te gaan.

In het aanloopcentrum at ik een warme maaltijd en dan ging ik weer naar de nachtopvang om te slapen. Gek genoeg voelde het veilig, dat leven. Niemand verlangt iets van je, je kunt niet falen. Je hoeft geen rekeningen te betalen en je hele uitkering stop je in je neus of in marihuana. Ik ging nog wel naar de kerk, dan nam ik vloeibare methadon mee in een flesje om te drinken, maar verder deed ik niets.

Ik dacht dat ik niets kon, niet kon werken, niet naar school. Als je dat lang genoeg tegen jezelf zegt, ga je het vanzelf geloven.” 

Verder lezen? Het hele verhaal van Stephanie-Joy lees je in Flair 36-2022. Wil je een editie (na)bestellen? Dat kan hier.

Tekst: Eva Munnik | Fotografie: Iris Dorine