Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Mia (35) voelt geen liefde voor haar zoon: ‘Ik voel me een afschuwelijk mens, maar ik vind het geen leuk kind’

Mia (35) voelt geen liefde voor haar zoon: ‘Ik voel me een afschuwelijk mens, maar ik vind het geen leuk kind’

Mia (35) voelt geen liefde voor haar zoon: ‘Ik voel me een afschuwelijk mens, maar ik vind het geen leuk kind’

Ze hoopte zo dat het zou komen, maar Mia (35) voelt nog altijd geen liefde voor haar zoon. Bij anderen houdt ze de schijn op.

“Als de zon schijnt, zie ik andere moeders glunderen op de rand van de zandbak. Trots kijken ze toe hoe hun kinderen kastelen bouwen of zandkoekjes bakken. ‘Wil jij een koekje, mama?’ Vrolijk spelen de moeders het spelletje mee: ‘Nomnomnom, lekker hoor, dankjewel!’ Het kost me zo veel moeite mee te doen aan dit soort onzin, toch doe ik het. Omdat de rest van de wereld niet mag weten dat ik geen liefde voel voor mijn kind.”

De schijn ophouden

“Al drie jaar houd ik de schijn op. De buitenwereld moet geloven dat ik gelukkig ben met Daan. Niet van je eigen kind houden, is een van de grootste taboes die er bestaat.‘Kinderen? Ja joh, wie weet. Ik ben nog jong!’ Niet alleen in gesprekken met vrienden en kennissen, maar ook met mijn eigen man schoof ik het thema luchtig voor me uit.

Ik zag mezelf niet in de moederrol. Het leek me doodeng om een kind op te voeden. Ik dacht aan mijn egoïstische trekken en was bang dat ik niet ruimhartig genoeg was. Als moeder zou ik het goede voorbeeld moeten geven, een enorme verantwoordelijkheid dragen en fulltime moeten zorgen voor zo’n kleintje.

Het hele idee van een kind grootbrengen, was me te onbevattelijk. Ik vond het al ingewikkeld genoeg om als rasechte chaoot mijn eigen leven in goede banen te leiden. En ik maakte me ook al zorgen over kinderpartijtjes organiseren, verplichte zaterdagen langs het sportveld staan, lachen om flauwe kindergrapjes en het koken van gezonde prakjes. Omdat ik vrij introvert en dromerig ben, leken dat soort dingen me serieus moeilijk.”

Toch nieuwsgierig

“Vier jaar geleden bleek Steven er ineens klaar voor. Hij zag vrienden veranderen in papa’s en mama’s die gelukzalig achter kinderwagens liepen. In mijn ogen veranderden ze in softere, saaiere versies van zichzelf. Ze gingen niet meer naar festivals, hadden het over tandjes die doorkwamen. Ouderwets doorzakken was er niet meer bij. 

Steven zag dat anders. Hij gaf me gelijk dat het overdreven is om dagelijks een foto van je peuter op Facebook te zetten, maar verder leek het hem ‘wel lachen’. ‘Ik zie een mix van ons tweeën wel zitten,’ zei hij. Daar voegde hij aan toe: ‘Maak je geen zorgen, je weet pas hoe het is als je er zelf aan begint.’ En daarmee sloeg hij de angstspijker op zijn kop: het muntje kon twee kanten op vallen: of een kind zou ons leven verrijken of het zou tegenvallen en dan is een weg terug onmogelijk.

Volgens Steven was het zo zwart-wit niet en heel af en toe maakte mijn defensieve houding ruimte voor twijfel, die uiteindelijk omsloeg in nieuwsgierigheid. Als ik het krijgen van een kind aan ons voorbij liet gaan, zou ik me altijd blijven afvragen hoe het was geweest. En eeuwig wachten kon ik na mijn dertigste ook niet meer. Het verwarrende was dat ik wílde dat ik kinderen wilde. Dat zou het wat makkelijker maken. Ik polste op verjaardagen en borrels bij volstrekt vreemden: ‘Is het leven met een kind echt leuker?’ Iedereen bleef aan het cliché vasthouden: kinderen krijgen is het mooiste wat een mens kan overkomen. Ik begon mezelf een lafaard te vinden en hakte de knoop door: ik ging stoppen met de pil.”

Dat zeg je toch niet

“Al had de buitenwereld me beloofd dat het minstens een jaar kon duren, drie maanden later onthulde een test dat ik zwanger was. Het was op een zaterdagochtend. ‘We krijgen een kind, Stef,’ zei ik en we omhelsden elkaar. Twee dagen later kwam het besef en daarbij de eerste traan. Ik wilde blij zijn, maar voelde paniek. Kon ik dit wel aan? Steven stelde me gerust. Volgens hem zou ik een ge-wel-dige moeder zijn. Zijn rust en zelfverzekerdheid gaven me kracht.

Mijn zusje was blij dat ze tante werd en mijn moeder – mijn vader leeft niet meer – was in de zevende hemel. Ze belde me drie keer per week om te vragen hoe ik me voelde. ‘Alles goed mam, ik voel me prima.’ Kotsend boven het toilet hangen, bekken-instabiliteit en andere horror bleven me bespaard. Lichamelijk had ik nergens last van en Steven droeg me op handen. In week zestien vertelden we het onze vrienden. Dat moest ook wel, want het begon op te vallen. Mijn decolleté nam serieuze vormen aan voor iemand met een A-cup en voor de oplettende kijker werd een buikje zichtbaar.

De term ‘zwanger zijn’ kreeg ik mijn strot niet uit: nijlpaarden zijn zwanger of paarden, mensen niet. Dit soort dingen deelde ik niet met vriendinnen, want ik weet zeker dat ik alleen stond in deze ziekelijke gedachte. Op straat werd ik aangesproken door lieve, vooral oudere vrouwen: ‘Wat een prachtige buik, de laatste loodjes? Jongetje of meisje?’ Dat zouden we wel zien bij de bevalling. Ik had een voorkeur voor een jongen, maar als ik dat zei, werd ik verbaasd aangekeken. Dat zeg je toch niet, zag ik ze denken. Als het maar gezond is, klonk het dan vermanend. ‘Ja, maar een jongetje past meer bij ons,’ hield ik stug vol.”

Een nieuw leven

“In de lente werden we ouders van een gezonde zoon. De bevalling duurde negen uur, van de eerste wee tot het moment waarop Daan op mijn borst werd gelegd. Dit was de eerste bladzijde van ons nieuwe leven en ik voelde me zowaar gelukkig. Ik werd gehecht en we mochten vrij snel met z’n drieën naar huis. We werden overspoeld met kaarten, cadeaus en blije gezichten. Maar het geluksgevoel kon ik niet vasthouden.

Ik merkte dat het me moeite kostte om van Daan te houden. Steven was vanaf de eerste dag verliefd op ‘ons mooie mannetje’, maar dat had ik helemaal niet. De kraamhulp stelde me gerust: ‘De band tussen moeder en kind moet groeien. Jij en Daan zijn nog onbekenden voor elkaar en het kan soms even duren voordat jullie elkaar aardig vinden.’

Daan huilde veel. Ik herkende niets van mezelf of van Steven in zijn driftige, rood aangelopen babyhoofd. Borstvoeding geven lukte niet: er kwam amper wat uit. Ik gaf het misschien te gauw op, maar het idee dat Daan aan mijn tepels zou sabbelen, stond me tegen. Ik heb nooit begrepen waarom vrouwen daar zo normaal over doen. Ik kreeg weer die dieren-associaties: babynijlpaarden hangen aan de spenen van hun moeder, maar rilde al bij het idee.”

Falend moederschap

“Als ik alleen met Daan thuis ben, doen we weinig. We spelen niet, we lachen niet, we kletsen niet. We leven allebei in onze eigen wereld en ik voel me een apathische vrouw. Opgelucht lever ik hem een paar keer per week bij het kinderdagverblijf af, bevrijd voel ik me dan. Steven compenseert mijn falende moederschap met extra aandacht voor Daan. Hij maakt doorlopend foto’s van hem en attendeert me op zijn ‘leuke stoute oogjes’.

Ik vind het geen leuk kind om te zien, maar als ik dat denk, voel ik me zo’n afschuwelijk mens. Die grimmige flarden in mijn kop probeer ik direct goed te maken door bijvoorbeeld een liedje voor hem te zingen. Helaas reageert hij daar nauwelijks op. Terwijl, als Steven iets zingt of zegt, Daan niet te houden is van plezier. Als ik hem aankleed, doet hij dwars en werkt niet mee. Bij Steven is hij leuk en gezellig.

Van het eten dat ik hem voorzet, wil hij niets hebben. Als Steven hem aanmoedigt, neemt hij toch een hap. Daan heeft mij nog nooit geroepen vanuit zijn bed. Als hij ’s nachts huilt, stel ik voor hem te negeren, maar Steven vindt dat zielig en haalt hem uit bed. Daan ziet mij als de boeman en zijn vader als de held.”

Lees ook
Maaike was net moeder toen ze borstkanker kreeg: ‘Ik wilde mijn kind zien opgroeien, hem niet alleen achterlaten’

Geen liefde voor mijn zoon

’s Nachts komen er stiekem weleens tranen. Ik voel me vanbinnen zo hol en eenzaam: ben ik gek? Wat is er met me aan de hand? Zou het beter worden als we nog een kind kregen? Had ik me maar nooit laten overhalen. Tijdens de zwangerschap kon ik mijn twijfels en angst over een kind van mezelf nog hardop uitspreken, maar nu is het te laat. Ik schaam me voor mezelf.

Tussen Steven en mij zijn er spanningen. Ik heb het hem nooit met zo veel woorden verteld, maar hij voelt heus wel aan dat ik het gezinsleven anders beleef dan hij. Vroeger was ik sprankelend, tegenwoordig zie ik in de spiegel een vrouw met een doffe blik en te veel rimpels. Mijn psycholoog dacht in het begin aan een postnatale depressie, maar omdat de situatie nog altijd niet verbetert, sluit hij dat met terugwerkende kracht uit.

Ik probeer het al drie jaar, maar de door de kraamhulp beloofde band tussen mij en mijn zoon blijft uit. Ik geloof niet in God, maar bid elke avond dat Daan en ik van elkaar gaan houden. Tot die tijd overleef ik door te doen alsof ik een leuke moeder ben.” 

Om privacyredenen zijn de namen veranderd.

Tekst: Vivienne Groenewoud, Lydia van der Weide, Charlotte van Drimmelen | Beeld: Getty Images