Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Debbie is de zus van Michael P: ‘Had Anne Faber hém maar gedood, denken we soms’

Debbie is de zus van Michael P: ‘Had Anne Faber hém maar gedood, denken we soms’

Debbie is de zus van Michael P: ‘Had Anne Faber hém maar gedood, denken we soms’

Sinds die gebeurtenis in oktober 2017 is ze ‘de zus van’ en ze vreest dat ze voor altijd zo zal worden gezien. Maar zij is gewoon Debbie (34). Haar broer is Michael P, de man die Anne Faber verkrachtte en doodde. “Anne wist het mes even af te pakken. Had zij hém maar gedood, denken we soms.”

“In het openbaar lachen, durf ik niet. Stel je voor dat iemand het ziet en denkt dat ik het niet erg vind wat er is gebeurd. Een paar jaar nadat mijn broer Michael was opgepakt voor het verkrachten en doden van Anne Faber, liep ik over straat met mijn dochtertje. Ze struikelde en moest daar zelf om grinniken, waarop ik ook in de lach schoot. Er liep net een vrouw langs en ze siste naar me:  ‘Zo, jij durft.’ Alsof ik niet aan Anne denk.

Ik ben net zo goed bezig met haar verschrikkelijke dood. Als ik huil, is het niet alleen om mezelf en om hoe mijn leven en dat van mijn familie op z’n kop is gezet, maar vooral om haar. Al mijn tranen zijn ook voor haar.

Michael en ik hebben een goede jeugd gehad. Hij is drie jaar jonger dan ik en we konden het best aardig vinden samen, maar natuurlijk hadden we weleens ruzie. Meestal was hij buiten, hij ging na school meteen met de skelter en de hond op pad, hout zoeken en daar van alles van bouwen. Mijn moeder was thuis als we uit school kwamen. Ze was er voor ons.

‘Michael was ondeugend, maar – ik weet hoe dit klinkt – hij had een groot hart’

Onze vader had een eigen zaak en was druk, maar de weekenden waren voor het gezin. Dan waren we op de camping, waar we kaartspelletjes deden en waterballonnengevechten hielden. Toen ik zeventien was, ging ik het huis uit en kregen Michael en ik een hechtere band. Hij kwam echt op visite om mij te zien, belde regelmatig aan en dronk een colaatje terwijl we kletsten.

Bijvoorbeeld over school; Michael hield niet van leren en wilde liever werken. Over wat hij nu weer had uitgespookt met vrienden. Ze waren kwajongens en hij was altijd degene die werd gesnapt. Dan hadden ze de viooltjes uit de bloembakken getrokken. Of ze pakten een fiets van een ander, reden er een rondje mee en zetten ’m op een andere plek terug. Hij was ondeugend, maar – en ik weet hoe dit klinkt – hij had een groot hart.

Als hij wist dat de moeder van een vriendje geen boodschappen kon betalen, ging hij ernaartoe om een tas vol spullen voor haar deur te zetten. Michael was ook lief voor mij. Tijdens een vorige relatie kreeg ik een miskraam. Toen ik uit de lift van het ziekenhuis kwam, stond hij daar te wachten. Hij sloeg zijn armen om me heen en liet me pas los toen we in de auto zaten.

Mijn moeder en ik runden een horecazaak en als personeel nog tot laat moest werken, bracht Michael ze met de auto naar huis, zodat die meisjes niet ’s nachts over straat hoefden. Hij was degene die als eerste opstond om zijn zitplaats af te staan als een oudere de bus in stapte. Ik weet hoe dit klinkt gezien de vreselijke dingen die hij heeft gedaan, maar ik kan er niks anders van maken. Zo was hij.

Toen Michael negentien was, ging hij met zijn vriendin samenwonen. Het leven lachte hem toe: hij werkte bij mijn vader in de zaak en hielp mijn moeder en mij in ons café. Michael wilde graag huisje-boompje-beestje, hij wilde jong vader worden. Maar toen werd hij door de politie opgepakt. Het was 2010, ik belde die ochtend bij hem aan omdat zijn vriendin mijn haar zou doen. ‘Doe maar zachtjes,’ zei ze. ‘Michael is vanochtend ziek thuisgekomen uit zijn werk.’ Even later stond hij toch op en ging hij de auto naar de garage brengen, zei hij.

Mijn haar zat net in de verf toen een kennis belde: hij had buiten gezien hoe Michael werd gearresteerd. We hadden geen idee waarom, totdat we Omroep Flevoland aanzetten. Een Zeewoldenaar was opgepakt voor overvallen, straatroven en verkrachting van twee meisjes van zestien en zeventien jaar. Dit moet over iemand anders gaan, dacht ik. Dit kan niet. Maar die avond spraken we Michaels advocaat, die vertelde dat hij had bekend: de overvallen, de straatroven én de verkrachtingen, hij had het echt gedaan. En hij was zwaar verslaafd aan cocaïne.

Het bord eten van mijn vader vloog door de kamer, zo abrupt schoof hij het van zich af. Mijn moeder zakte schreeuwend in elkaar. Ik vluchtte het huis uit, naar mijn vriend. De tranen stroomden over mijn wangen en ik had zo veel vragen. Hoe dan? Waarom? Michael had alles: een vriendin, een leuk huis. Het klopte niet. ’s Ochtends werd ik wakker en dacht: is het wel echt gebeurd? Het leek een nachtmerrie. Die straatroven en overvallen kon ik ergens nog wel linken aan een drugsverslaving die hij blijkbaar had en waar wij nooit van hadden geweten, maar die verkrachtingen? Ik kon het niet rijmen met mijn broer.”

Op zoek naar flintertjes informatie

“Een paar dagen later mochten we hem opzoeken in de gevangenis. Er mochten drie mensen naar binnen. Mijn vader bleef achter en mijn moeder, Michaels vriendin en ik gingen eindeloos veel deuren door. We zaten aan een tafel toen hij kwam aan-lopen, heel bleek en mager. We waren in tranen. We mochten het niet over de zaak hebben, dus praatten we over koetjes en kalfjes. ‘Ooit zal ik jullie alles vertellen,’ beloofde hij.

Na een uur moesten we weer weg, we keken hem na terwijl hij in de rij van gedetineerden de gang in verdween. Ik was boos, verdrietig en had zo veel vragen. Ik heb op internet gespeurd naar elk flintertje informatie. Al snel werd me duidelijk hoe gruwelijk de verkrachtig van die twee meisjes was geweest. Dat had mijn kleine broertje dus gedaan.

Michael wilde ons niet bij de rechtszaak hebben, dan zouden alle details worden besproken. Hij wilde niet dat wij die zouden horen, want hij schaamde zich. Ik schaamde me ook, al had ik niets gedaan. Maar zo waren we niet opgevoed, we hadden normen en waarden meegekregen.  ‘Als een meisje nee zegt, is het nee,’ had mijn moeder altijd benadrukt.

Na de rechtszaak hebben mijn ouders een pittig gesprek met hem gehad. ‘Speel open kaart over wat je hebt gedaan,’ eiste mijn moeder. ‘Ik wil alles weten.’ Maar hij wilde nog steeds niets vertellen. Na lang aandringen gaf hij ons toestemming om het dossier te lezen. Toen wisten we wat hij precies met die twee meisjes had gedaan, maar nog steeds niet waarom. Hoe kon hij tot zoiets vreselijks in staat zijn? We hebben er nooit antwoord op gekregen. Ik heb hem zo vaak gevraagd:  ‘Hoe dan, Michael?’  Maar hij had er geen antwoord op, geen uitleg.

‘Ik weet het ook niet, Deb.’ Het was heel frustrerend. Ik dacht terug aan onze jeugd: had ik iets gemist? Ik kon niets bedenken en nog steeds niet. Het hoger beroep mochten we van hem wel bijwonen. De vader van een van zijn slachtoffers las een brief voor die het zeventienjarige meisje had geschreven.

Ik was toen zelf net bevallen van een dochter en het greep me enorm aan. De reacties vielen voor ons als familie bij die eerste zaak in 2010 eigenlijk wel mee. De media-aandacht was veel minder dan later, bij Anne. Mensen kenden mijn moeder en mij van onze horeca-zaken, er was veel steun van vaste gasten. Na een tijdje werd het stil en ging het er niet meer over.

Elke week bezochten we Michael in de gevangenis. Mijn dochtertje nam ik dan mee. Ze was zijn nichtje, ik vond dat hij haar hoorde te zien. Toen mijn dochter wat ouder werd, wist ze niet dat hij in de gevangenis zat, we vertelden haar dat we oom Mikey opzochten op zijn werk. Ik wilde dat hij haar leerde kennen, want ooit zou hij weer vrijkomen en ik wilde niet dat hij dan een wildvreemde voor haar was. Hij doet zoiets nooit weer, daar waren we heilig van overtuigd. Michael verzekerde ons dat. Hij vond het zo erg wat er was gebeurd. Hij had veel spijt, we zagen zijn verdriet.

Omdat Michael volwassen was, kregen we van de kliniek geen informatie en Michael zelf praatte niet over het waarom. Wij dachten: het moet wel door de drugs zijn gekomen. In 2017 mocht hij van de gevangenis naar een kliniek in Den Dolder, waar hij meer vrijheden had. Vanaf toen gingen we naar ‘oom Mikey’s huisje in het bos’: voetballen en wandelen, schapen kijken. Als hij vrijkomt, heeft hij een nieuwe kans, dachten we, dan komt het goed.

Michael wilde heel graag nog iets van zijn leven maken. Werken, misschien reizen. Hij dacht niet dat hij ooit een gezin zou krijgen; welke vrouw zou hem nog willen na wat hij had gedaan? Maar al na een week in de kliniek leerde hij een vrouw kennen die daar ook werd behandeld, ze kregen een relatie. Wij stonden daar niet achter: ze zaten daar immers om aan zichzelf te werken. Maar de relatie bleef, ook nadat hij haar had verteld wat hij had gedaan. En ze raakte zwanger.

Lees ook:
Ilse (28) verruilde haar harde juristenwerk voor de boerderij: ‘Het is geen baan meer, maar mijn leven’

Michael had al snel veel stress. Zijn vriendin was niet stabiel, maar ze wilde wel trouwen en groots ook. Hij wist niet hoe hij dat moest betalen, ze hadden veel ruzie. Waar ging hij geld vandaan halen voor de bruiloft en de kinderkamer? Wij hielpen zo veel mogelijk, deden alles voor hem, maar hij raakte in paniek.

Op dat punt maakten we ons wel zorgen. Omdat Michael volwassen was, had alleen hij contact met de behandelaar, maar mijn moeder spoorde Michael wel aan hulp te vragen, om aan te geven dat het niet goed ging. Op een gegeven moment belde hij zelfs de gevangenis waar hij voor de kliniek had gezeten, en smeekte om terug te mogen komen: ‘Ik verzuip, zet me weer vast’.

We waren bang dat hij weer aan de drugs zou gaan of overvallen zou plegen om aan geld te komen. Aan drugs kon je in de kliniek best makkelijk komen. Er waren urinecontroles, maar met een beetje ervaring waren die makkelijk te omzeilen.

Toch is het nooit in ons opgekomen dat hij weer iemand zou verkrachten. De kliniek heeft enorm gefaald, vinden wij. Als Michael aangaf dat het niet meer ging, kon hij pas een week later met een behandelaar spreken. Ze kampten met personeelstekort en bezuinigingen.”

Dit is een interview uit Flair. De rest van het verhaal van Debbie lees je in Flair #3 2022.

tekst Eva Munnik | fotografie Charise Abigail