Word abonnee

Kies nú voor een abonnement met korting

Abonneer nú met korting!

Je bent hier: Home > Persoonlijke verhalen > Carmen (33) is dominee: ‘Ik zou mezelf een huichelaar vinden als ik mijn tatoeages niet laat zien’

Carmen (33) is dominee: ‘Ik zou mezelf een huichelaar vinden als ik mijn tatoeages niet laat zien’

Carmen (33) is dominee: ‘Ik zou mezelf een huichelaar vinden als ik mijn tatoeages niet laat zien’

Carmen (33) draagt een neuspiercing en heeft een poster van The Hobbit aan de muur van haar werkkamer. Daar schrijft ze haar preken, want ze is ook dominee. “Ik ben vereerd door het vertrouwen. Ik leid begrafenissen, bruiloften en ik doop baby’s, binnenkort mijn eigen zoon.”

“Als mijn zusjes, broertje en ik vroeger geen zin hadden om op zondagochtend naar de kerk te gaan, spanden we samen om het te saboteren. Stiekem trokken we de stekker van de wekker eruit zodat onze ouders zich versliepen. Dan was het te laat om nog naar de kerk te gaan. Onze vader en moeder konden daar wel om lachen.”

Humor en creativiteit

“Ik kom uit een erg warm nest. Mijn ouders werken beiden in de zorg. Toen ik vijf jaar was en zij voor een tweede kind gingen, werd dat onverwacht een drieling. Zo had ik er opeens twee zusjes en een broertje bij. Dat was heel intens, maar ook leuk: ik vond het geweldig om flesjes te geven aan de baby’s.

Mijn vader en moeder hadden veel humor en creativiteit. Geregeld zetten ze discomuziek op en dansten we met z’n zessen als gekken in de woonkamer, of we playbackten op Céline Dion. Met mooi weer fietste mijn moeder met de kleintjes in haar fietskar en mij op mijn kleuterfiets naast haar naar de polder om te picknicken.”

Harry Potter was niet oké

“Ik ben gelovig opgevoed, maar als tiener ging ik me afzetten tegen de kerk. Dat kwam doordat ik veel vragen had en daar in onze kerk weinig ruimte voor was. Ik vond het bijvoorbeeld gek dat vrouwen niet in de kerkraad zaten: in onze kerk mochten vrouwen geen ambt bekleden. Het leek sowieso wel erg veel te gaan om wat er allemaal niet mocht in plaats van wat wel mocht.

Ik was helemaal gek van de Harry Potter-boeken, maar die waren volgens de kerk niet oké. Dat was tovenarij en dus slecht. Mijn ouders waren gelukkig veel meer ontspannen in dat soort dingen. Toen ik naar de bioscoop wilde om de eerste Harry Potter-film te zien, vond mijn moeder dat goed – als ze maar mee mocht. Ze wilde weten waar iedereen in de kerk zich nou zo druk over maakte. Toen we de film gezien hadden, begreep ze niet wat het probleem was. In haar ogen ging Harry Potter over de klassieke strijd van goed tegen kwaad, ze vond dat er juist ethische lessen in zaten voor kinderen.”

Leven zonder de kerk

“Hoe ouder ik werd, hoe meer moeite ik kreeg met de gesloten houding van de kerk waar wij bij zaten. Vooral omdat mijn vragen maar onbeantwoord bleven. Waarom mag je geen tatoeages hebben? Waarom zijn in christelijke afbeeldingen alle engelen mannen met blond haar? Vond ik raar. En vooral: hoe kan het dat mensen die nog nooit van Jezus gehoord hebben niet naar de hemel gaan? Daar kon ik me niks bij voorstellen. Als dat zo is, dan zou God toch best een hufter zijn, dacht ik verward.

Mijn vragen werden me niet altijd in dank afgenomen. Het idee was dat je vragen stelt als je twijfelt en als je twijfelt ben je geen goede gelovige. Terwijl dat onzin is, want wie twijfelt, zoekt juist oprecht. Ik besloot op mijn achttiende dat ik prima kon geloven zonder kerk. Maar toen ik eenmaal niet meer naar de kerk ging, verwaterde het geloof bij mij. Ik bad niet meer en deed er niks meer mee. Ik was erop afgeknapt.”

Extreme faalangst

“Zingen was altijd al mijn ding. Mijn zang-docent raadde me aan om auditie voor het conservatorium te doen, dus dat deed ik na de havo. Ik was ontzettend nerveus voor de auditie, want ik wist dat meer dan honderd mensen van over de hele wereld auditie deden voor slechts vier plekken. Als achttienjarige was ik bovendien enorm onzeker. Het meisje dat voor mij auditie deed, had al het zelfvertrouwen dat ik miste. Met opgeheven hoofd liep ze de zaal in. Toen zij afgewezen werd en met tranen in haar ogen wegstormde, werd ik nog nerveuzer. Als zo’n zelfverzekerd iemand het al niet redde, wat deed ik daar dan?

Met trillende benen stond ik op het podium tegenover vier juryleden. Optreden voor een handjevol toeschouwers is nog honderd keer enger dan voor een volle zaal. Je voelt je dan enorm bekeken en ik wérd ook bekeken, beoordeeld zelfs. A capella zong ik een liedje van Joni Mitchell. Het was een super moeilijk jazznummer, maar ik had bedacht: als dat lukt, ben ik binnen. Het lukte, de jury klapte zelfs na afloop.

Ik werd aan-genomen, maar het conservatorium bleek een heel pittige wereld, erg competitief. Ik kreeg daar faalangst van. Dat was zo extreem dat ik sommige lessen gewoon vermeed, bang als ik was om iets doms te zeggen. Je had bijvoorbeeld het vak ritmische scholing en die docent kon je genadeloos afblaffen. Ik weet nog hoe hij een meisje een keer toesnauwde: ‘Ben je nou echt zo dom?’ Ik had ook plankenkoorts: voor een optreden begon ik te zweten en trillen, bloednerveus was ik. Als ik eenmaal begon te zingen, ging het wel. Vanwege mijn faalangst bleef ik bij veel andere lessen weg en zat mijn cijferlijst vol gaten. Na twee jaar moest ik van de opleiding af, ik had niet genoeg punten.”

Theologie

“Ik verhuisde terug naar mijn ouders en kwam in een identiteitscrisis terecht. Ik was twintig, volgde geen opleiding, had geen carrière of doel. Iedereen om me heen leek te weten waar ze met hun leven naartoe wilden en ik niet, ik voelde me een enorme loser. Ik voelde me schuldig naar mijn ouders toe, die al die tijd met grote moeite mijn collegegeld hadden opgehoest, terwijl het leven met vier kinderen al duur genoeg was.

Ik besloot een baantje te zoeken en kon aan de slag in een verzorgingshuis. Ondertussen was ik angstig, piekerde veel, lag ’s nachts wakker en kreeg paniekaanvallen. Ik was in een depressie beland en kreeg medicijnen voorgeschreven. Wat moest ik nou? Wie was ik nog?

Het enige wat steeds in me opkwam als nieuw doel was theologie studeren. Dat sloeg nergens op, want ik ging al jaren niet meer naar de kerk en als je theologie studeert, word je meestal dominee. Bovendien: zag je mij met mijn faalangst al elke week op de kansel staan om mensen toe te spreken? Nee, belachelijk. Toch bleef het door mijn hoofd spoken en ergens had ik het gevoel dat dat idee, theologie studeren, van God kwam.

Hardop zei ik: ‘U hebt het verkeerd. Dat gaan we niet doen, dat past niet bij mij.’ Ik leerde Dylan kennen, mijn huidige man. We zaten samen op de middelbare school en toen ik hem weer tegen het lijf liep, was het raak. We hebben veel gemeen, zijn allebei enorme nerds: gek op Lord of the Rings, fantasy-boeken en bordspellen. Hij is bovendien heel lief en betrouwbaar. Toen dat idee om theologie te studeren me niet losliet en ik merkte dat er zelfs een soort verlangen groeide om het echt te doen, was het Dylan die me aanmoedigde ervoor te gaan.”

Lees ook
Liselore (29) heeft een narcistische persoonlijkheidsstoornis: ‘Ik heb altijd al het gevoel gehad dat ik beter ben dan anderen’

Talent voor preken

“Dylan sleepte me door alle stappen heen. Ik moest een test doen om als eenentwintig-jarige zonder vwo-diploma toch naar de universiteit te mogen. Dylan ging mee in de bus en wachtte buiten. Ik haalde het. Ik spaarde om zelf mijn collegegeld te kunnen betalen en besloot het te proberen. Wat had ik te verliezen?

Nog steeds vond ik het een bizar idee om predikant te worden, maar ik zei tegen mezelf: met een theologie-diploma kan ik ook geestelijk verzorger worden. Dan werk je in bijvoorbeeld een ziekenhuis of een zorginstelling, waar je met mensen praat over levensvragen en ze geestelijke steun biedt.

Toen ik aan de studie begon, speelde mijn faalangst weer op. Maar ik merkte dat ik het kon en kreeg vervolgens meer zelfvertrouwen. Ik haalde supergoede cijfers, want theologie bleek helemaal mijn ding. Al die vragen die ik als tiener had en die toen onbeantwoord bleven, daar kon ik nu zelf de antwoorden op zoeken. Ik dook in de Bijbelteksten en leerde dat je veel kwesties moet zien in de tijd van toen. De teksten bedoelen vaak wat anders dan je er met de ogen van nu in kunt zien.

Vrouwen zijn helemaal niet ondergeschikt in het christendom, er reisden vrouwen mee met Jezus. Die tijd en die cultuur was patriarchaal, maar nergens in de Bijbel staat dat vrouwen minder zijn dan mannen. Ook dat tatoeages niet mogen volgens de Bijbel is onzin. Er is alleen een tekst over mensen die in hun lichaam de namen van andere goden kerfden, dat is wat anders dan alle tatoeages afkeuren.

Ik tatoeëerde een groot kruis op mijn rug, tussen mijn schouderbladen. God has got my back wil ik ermee zeggen. Ik haalde de bachelor en moest kiezen of ik voor de master geestelijke verzorging of gemeente-predikant ging. Het werd toch het laatste. Het voelde alsof dat voor mij bestemd was en ik waagde de sprong.”

Meer van dit soort verhalen lees je wekelijks in Flair. Wil je een editie (na)bestellen? Dat kan hier.

Tekst Eva Munnik | Fotografie:  Petronellanitta