Eva Breda: 'Ik heb een 91-jarige penvriend. Zal hij overlijden, wachtend op mijn brief?' Beeld
Eva Breda: 'Ik heb een 91-jarige penvriend. Zal hij overlijden, wachtend op mijn brief?'

Eva Breda: 'Ik heb een 91-jarige penvriend. Zal hij overlijden, wachtend op mijn brief?'

Ik heb een 91-jarige penvriend. Meneer G, noem ik hem even. En de laatste brief van meneer G. wacht al zes weken in mijn tas op antwoord.

Ik ken meneer G. via mijn moeder, die hem als verpleegkundige verzorgt. Meneer G. heeft een beroerte gehad en is niet meer goed genoeg ter been om te zien wat zich afspeelt buiten de muren van zijn stokoude huis, maar wil wel heel graag weten wat zich daar afspeelt. En dus schrijven Meneer G. en ik elkaar, over van alles en nog wat.

Vragen over vroeger

Hij vraagt mij over mijn leven, mijn werk, mijn vriendinnen. Over later, over nu. Ik vraag hem nooit over het nu. Ik kan me voorstellen dat het nu niet echt bestaat als je 91 jaar op aarde rondloopt. Laat staan later. Ik vraag hem vooral over vroeger. Over wat zijn werk was (hij was een heel betrokken leraar), wat zijn lievelingsboek was (de geschiedenis van Enkhuizen. Smelt.).

En we praten over de oorlog. Vooral over de oorlog. Over zijn basisschoolvrienden die overleden onder het puin, over bominslagen, over angst, over dreiging. En zo hebben we het ongemerkt toch een beetje over het nu.

Maar het nu is ook heel mooi, probeer ik meneer G. te vertellen. Ik vertel hem over de verre reizen die ik kan maken met vriendinnen, ik vertel hem over vissen die ik kan zien tijdens het duiken, ik vertel hem over de podcast die ik maakte en wat een podcast dan precies is. Een documentaire via je oren. Ja, het kan tegenwoordig.

Lees ook Eva Breda: Eindelijk vrije tijd? Dan scroll ik liever rond, dan dat ik iets nieuws leer

Schuldgevoel

Als ik meneer G. een brief schrijf, heb ik binnen twee dagen een dikke envelop op de deurmat. Daarop mijn naam in cursief en een echte postzegel rechtsboven, daarin drie genummerde A4-tjes voorzien van verhalen in plechtig taalgebruik. Ik schrijf altijd terug. Soms na een week. Soms pas na tien. Om het wachten te verzachten, doe ik dan eens iets extra’s in de envelop, een foto of extra mooi briefpapier. Maar het schuldgevoel dat ik heb omdat meneer G. mij in enkele dagen pagina’s vol schrijft terwijl ik hem soms weken laat wachten, koop ik daar niet mee weg.

‘Waarom antwoordt u altijd zo snel?’, vroeg ik meneer G. eens. Hij vertelde me dat hij ooit niet zo snel terug schreef naar iemand met wie hij per brief correspondeerde (zoals meneer G. dat soort dingen verwoordt). Ze overleed voordat zijn brief geschreven en gepost was. Dat zou hem nooit meer overkomen.

Nu brandt zijn brief al zes weken in mijn tas. Onder een laagje schuldgevoel, maar ook groeiende zorgen. Voor iemand als meneer G. is zes weken veel. Zal hij overlijden, wachtend op mijn brief? Ik moet hem nog een stukje van het nu geven, voordat het later en te laat is. Dit weekend schrijf ik terug. Beloofd. Weet je wat? Ik doe het wel nu.

Eva Breda (25) werkt voor Libelle, woont in Amsterdam en wijdt elke week een column aan iets waar ze haar hoofd over breekt.

Eva Breda

Op alle verhalen van Flair rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven. Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@flair.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden